Project Description

Raskatjes

 

Sophia Suikerbuik werd geboren op de éen na warmste dag van 1981, achterin de Ford Fiesta van haar ouders, zo’n vijf kilometer na de grens tussen België en Frankrijk. Haar moeder, Margareta Suikerbuik, was pas 26 weken zwanger van haar eerste dochter toen zij weeën kreeg en Sophia’s vader, Willem Suikerbuik, de auto op de vluchtstrook stil zette. De anders bijzonder paniekerige man kreeg een acute kalmte over zich en tilde zijn vrouw op de achterbank met haar benen naar buiten. Op zijn knieën naast de auto bracht hij het kind ter wereld alsof hij een volleerde vroedvrouw was.

Ook al was de ambulance een moment later ter plaatse en was Sophia ondanks haar veel te vroege geboorte kerngezond, Margareta Suikerbuik wilde hierna nooit meer op vakantie.

Toen Sophia drie jaar oud was en aan de ontbijttafel de moppen op de achterkant van een pak hagelslag voorlas, merkten haar ouders dat zij een bijzonder kind was. Willem Suikerbuik, aangenaam verrast dat hij een kind had gemaakt dat slimmer was dan hij en zijn vrouw bij elkaar, gaf zijn baan als installateur van airconditionings op om zich te wijden aan wat een bloeiende carrière voor zijn dochter had moeten worden.

Op 12 november 1985, de dag dat er een totale maar onzichtbare zonsverduistering plaats vond, werd hun tweede kind geboren. Het was een zoon die zij Alexander Suikerbuik noemden. Twee jaar en twee weken later, toen zijn moeder de keukenkastjes aan het opruimen was, nam Alexander Suikerbuik een paar slokken gootsteenontstopper. Met het ijlende, uit zijn mond bloedende kind in haar armen rende Margareta naar de buurvrouw, struikelde over een stoeptegel in hun voortuin en brak haar nek.

Sinds die dag was het alleen nog Sophia en haar vader. Sophia bleek in mindere mate het wonderkind waar haar vader haar voor hield. Ze had weliswaar een uitzonderlijk gevoel voor taal en won elke spellingswedstrijd waar haar vader haar voor opgaf, maar cijfers en andere basale dingen begreep ze niet. Ze kon haar huisnummer niet onthouden, snapte niets van jaargetallen en leerde nooit klok kijken.
Ze had hiervoor altijd dezelfde verklaring: dat ze was geboren met alle wijsheid die ze nodig had. Als ze iets niet wist, niet snapte of vergat, dan was het niet belangrijk genoeg.

Sophia ontmoette de zoon van de groenteman op een zaterdagochtend in de lente, toen haar vader haar naar de groenteman stuurde om vier artisjokken te kopen. De jongen was scheel en kon nauwelijks praten. Hij was veel te groot en lomp voor zijn leeftijd, met handen als mammoetpoten. Maar de manier waarop hij de artisjokken tussen zijn enorme handpalmen nam en ze voorzichtig schoonveegde, alsof het pasgeboren raskatjes waren, maakte dat Sophia op slag van hem hield. Ze was tien en wist: deze jongen hoort bij mij.