Project Description

Op de rand

 

Voor de spiegel zocht ze zorgvuldig naar uiterlijke veranderingen. Als ze zich van binnen zo leeg voelde, misschien was er dan aan de buitenkant wel iets in ontwikkeling.

Het haar bovenop haar hoofd was opgelicht door de zon, haar ogen leken lichter.
Op haar neus zaten een aantal sproeten.
Haar schouders waren bottiger dan eerst, haar jukbeenderen vielen meer op en haar armen waren duidelijk magerder.
Mooi, dacht ze. Of: Niet lelijk.

Haar borsten waren kleiner.
Wel lelijk.

Op de plek waar haar onderste ribben uitstaken, zat er links en rechts een blauwe plek.
Ze dacht aan hoe ze afgelopen nacht zich voorover over de rand van een balkon had laten buigen en zich had laten nemen door een Engelsman genaamd Toby.
Hoe ze in de ruit zichzelf zag en zag hoe Toby steeds schichtig om zich heen keek of niemand hem zag.
Hoe hij haar af en toe op haar billen tikte, wat zij pretendeerde lekker te vinden.

Naakt voor de spiegel keek ze omlaag, naar haar bruine handen waarmee ze op het handdoekrek leunde en vroeg zich af hoe ze zichzelf ooit nog serieus moest nemen.

Later die dag zag ze zichzelf opnieuw, in de spiegelende zonnebril van de man achter de receptie. Hij zette zijn zonnebril af en keek naar haar.
Hij keek, langer dan waar ze zich prettig bij voelde, maar korter dan ze had gewild dat hij naar haar keek.

Die nacht, toen ze op de rand van het zwembad met de man van de receptie neukte, was het te donker om zichzelf te kunnen zien in zijn pupillen en was het water te gerimpeld om haar lichaam er in te kunnen herkennen.
Dit maakte haar onrustig.
Haar hoofd duizelde elke keer als hij aan haar haren trok.
Ze zei naar het toilet te moeten en kwam niet meer terug.

Elke ochtend, vlak nadat de zon op was, sprong ze in het kleine zwembad en redde ze alle spartelende mieren, spinnen en motten die tijdens de nacht in het water terecht waren gekomen.
Ze sloot haar handpalmen om het omringende water en legde ze zorgvuldig op de rand.
Na haar ontbijt, dat bestond uit kipnoodles en thee, ging ze kijken bij haar drenkelingen.
Als ze iemand moest zijn, dan maar de Moeder Theresa van de insecten.

Terwijl ze toekeek hoe sommige motten opdroogden op de rand van het zwembad en wegvlogen, en anderen dood bleven liggen, vroeg ze zich af wat zij zou doen als iemand haar nu zou redden:
opdrogen en wegvliegen of dood blijven liggen.

‘s Middags realiseerde ze zich dat ze nep was.
Een illusie.
Een omgekeerde vampier, alleen aanwezig op een foto, in de spiegeling van een ruit of in iemands brillenglazen.
Niet alleen bestond ze alleen bij de gratie van de ander, ze bestond alleen bij de gratie van de blik van de ander.
Van de toestemming van de ander.

Alleen via de ogen van hitsige mannen, via de ruit van een balkon waar ze zich voorover overheen had laten buigen, alleen via hun toestemming kon zij zichzelf zien, wist zij wie ze was:
de Ander.
Altijd: de Ander.